De Spiegel – 27 november 1948

WAAROM ZIJ DE RIDDERSLAG ONTVINGEN

Jan De Landgraaf, Militaire Willemsorde

JAN DE LANDGRAAF

(Sliedrecht, 11 februari 1921 – Sliedrecht, 22 maart 1978) was een Nederlands verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Piet van de Hoek, Sliedrecht

Cornelis Pieter van den Hoek

(Leerdam, 7 juni 1921 – Werkendam, 12 februari 2015) was een Nederlandse verzetsstrijder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Van den Hoek was een van de weinige ridders van de Militaire Willems-Orde.

``Wij maakten 75 Duitsers krijgsgevangen``

Het gebeurde in Arnhem, enkele weken geleden: acht mannen werden, tegelijk met één vrouw, Prinses Wil­helmina, door Koningin Juliana tot ridder geslagen. Zij ontvingen de M.W.O., de Militaire Willemsorde, voor moed, beleid en trouw.
Bij U en ons is de vraag opgekomen: waar en hoe be­toonden zij deze moed, dit beleid, deze trouw, wat is hun verhaal?
Wij hebben hen opgezocht in de huizen, waarheen zij zijn teruggekeerd en hebben hun gevraagd naar hun geschiedenis, die hoe kan het anders boeiend is en dapper en groots, want een M.W.O. krijgt men niet zo maar.
In dit artikel leest u het verhaal van Jan de Land­graaf en Pieter v. d. Hoek.

Het verhaal van Jan de Landgraaf.

In Juli 1944, toen ik moest onderduiken, ver­trok ik van Sliedrecht naar de Biesbosch, eerst samen met mijn vader, die door de Duitsers gearresteerd was geweest, maar had we­ten te ontvluchten om later alleen achter te blij­ven. Dat wil zeggen, alleen zat ik hier niet, want er waren nog een stuk of wat andere onderduikers, die evenals ik, hun heil in deze wil­dernis hadden gezocht. Wij leefden er in kleine woonarkjes en in keten. Helemaal veilig waren wij hier ook niet, want de moffen wilden nog al eens op de eilandjes in de Biesbosch patrouil­leren.

Konin·gin Juliana tot ridd·er geslagen, Militaire Willemsorde

Jan de Landgraaf en Pieter v. d. Hoek in de rij der ridders op Sonsbeek.

Op een dag opperde één onzer het plan om hen daarbij een beetje de voet dwars te zetten. Dit gebeurde, toen zij weer eens opdoken om bij de boeren bootjes te vorderen. In de begintijd waren evenwel slechts twee onzer voorzien van een pistool, hetgeen niet veel was, wanneer men in aanmerking neemt, dat we ongeveer met ons twintigen waren, meest jongens uit Drimmelen, Lage Zwaluwe en Werkendam.
Met ons drieën, waaronder Piet v. d. Hoek uit Werkendam, die tegelijk met mij de M.W.O. ge­kregen heeft, gingen wij er evenwel toch op uit, en toen wij een tweetal moffen ontmoetten, over­rompelden wij ze en wisten ze te ontwapenen. Dit ging evenwel niet zo eenvoudig als ik het hier nu vertel; toen ze ons zagen aankomen, wilden zij hun karabijnen grijpen, maar ze hadden er geen tijd voor, want Piet sprong er direct één op de rug en ook de andere kreeg geen kans om te schieten. Na een kort gevecht moesten zij zich dan ook overgeven.

Met deze twee gevangen Duit­sers hadden wij ons eigenlijk in een moeilijk parket ge­bracht, want waar moesten we met de kerels blijven? Doodschieten zou radicaal geweest zijn, maar daartoe konden we onmogelijk be­sluiten. Er bleef ons dus niets anders over dan ze op te slui­ten. Wij stopten ze in een schuurtje, waar zij echter permanent bewaakt moesten worden. Dit had tot gevolg, dat we tot elk ander zeiden: als we er nu toch twee moe­ten bewaken, kunnen we net zo goed, proberen er meer te krijgen. En dit was dan eigenlijk het begin van onze “Moffenjacht” in de Biesbosch.

De jacht begint pas goed.

Nu brachten wij onze gevangenen over naar een grote motorschuit, die goed verborgen lag in het Gat van Lijnoorden. Vier onzer zijn daar toen gaan wonen, teneinde hen dag en nacht te kunnen bewaken. Lang zijn we er echter niet gebleven; de vangst verliep nogal voorspoedig en toen wij ons ten slotte hadden meester gemaakt van een twintigtal moffen, zijn wij naar het ” Ganzennest” verhuisd.

Met ons zevenen zijn wij toen op drie kleine arkjes gaan wonen. Dit zevental vormde de zoge­naamde “vangploeg”, waarvan ik de commandant was.

Als strategisch punt om patrouillerende moffen on­schadelijk te maken, hadden wij het Brugje van St. Jan uitgekozen, daar deze plek zich prachtig voor ons doel leende. Hier was namelijk de krui­sing van een watering met een dijk, zodat wij vier punten hadden om de Duitsers, zodra zij het brug­je wilden passeren, onder vuur te nemen. Met vrij grote zekerheid wisten wij altijd wanneer er een patrouille op komst was, daar wij bij liet over­zetbootje van Drimmelen voortdurend een man op uitkijk hadden staan, die dan door de veer­man door middel van een afgesproken sein gewaarschuwd werd, en deze, op zijn beurt, gaf dan weer bericht aan ·de vangploeg bij het Brugje van St. Jan.
Waren de Duitsers eenmaal op het brugje, dan sprongen onze mannen, op een sein van mij,

Het spreekt vanzelf, dat de vijand het er niet bij liet zit­ten, toen er steeds meer sol­daten op spoorloze wijze ver­dwenen, en het was daarom raadzaam zo nu en dan van “woonplaats” te veranderen.

hun schuilplaatsen tevoorschijn en klonk het van alle kanten tegelijk: “handen omhoog”. Natuurlijk probeerden de moffen zich dan wel te verdedigen, maar steeds hadden wij het voordeel der verras­sing aan onze kant. Toch is het niet altijd even vlot gegaan, en herhaaldelijk is het dan ook voor­gekomen, dat het tot een strijd van man tegen man kwam, en bij één dezer gevechten is onze vriend Chris Hillebrands dan ook gesneuveld. Dit gebeurde evenwel op de Bandijk en in een tijd, toen wij nog niet zo goed georganiseerd waren.

’s Nachts transporteerden wij de gevangen geno­men Duitsers naar ons motorschip in Het Gan­zennest”, waar het langzamerhand echter zo vol begon te worden, dat er een ander schip bij moest komen. Zo hebben wij ten slotte vijf en zeventig Duitsers, tot de dag der bevrijding van Zuid-Ne­derland toe, gevangen gehouden en het was voor ons dan ook een onvergetelijke gebeurtenis, toen wij dit gebeurde in de nacht van 4 op 5 Novem­ber 1944 met onze beide schepen met gevan­genen, en alle onderduikers er bij, in het haventje van het bevrijde Drimmelen aankwamen, waar wij de moffen uitleverden aan de commandant van de Poolse troepen, die in Made lagen. Gedurende de gehele duur van onze actie hebben de Duitsers een paar maal getracht de Biesbosch schoon te vegen. Doch dit is hun nooit gelukt tot het laatst toe hebben wij er ons werk gedaan en, maar dit wisten wij toen nog niet!, wij zou­den er nog herhaalde malen terugkomen. Niet echter om opnieuw jacht op Duitsers te maken, maar, integendeel, om ze te ontlopen gedurende onze lange en gevaarlijke tochten per kano naar het bezette gebied en weer terug.
Maar ondervraagt U, wat dit betreft, mijn vriend Piet v. d. Hoek maar eens, die nog enkele cros­sings  “méér op zijn naam heeft staan dan “ik”.

Natuurlijk hebben wij dit gedaan; van Sliedrecht zijn wij naar Werkendam getrokken en hebben daar geruime tijd zitten praten met de tweede “geridderde” uit de Biesbosch-ploeg Piet v. d. Hoek, die vooral bij het overbrengen van berichten, pi­loten en Nederlanders van het bezette gebied naar het onbezette gedeelte en terug, zulk een grote rol heeft gespeeld. Hier volgt dan zijn verhaal: 

Gevangen genomen en gevlucht. 

“Na mijn terugkeer uit Keulen, waar ik van Oc­tober 1942 tot November 1943 gedwongen was te­werkgesteld, dook ook ik onder in de Biesbosch, waar reeds een aantal jonge mannen zich verbor­gen hield voor het speurend oog der Duitsers en van hun Nederlandse handlangers.

Al spoedig stond ik in nauw contact met hen. Herhaaldelijk liepen wij gevaar ont­dekt te worden door patrouillerende Duitsers, doch van een georganiseerd verzet tegen hen was, toen ik er pas kwam, nog geen sprake.
Eerst m. September 1944 begonnen wij ons gevaarlijke spel met ·hen të spelen, met als hoofddoel te trachten door het overrompelen. van ?eze Duitsers ons in het bezit te stellen van wapens, die wij nodig dachten te hebben wanneer het straks gaan zou om de eindstrijd, om de bevrij­ding. De leiding van dit verzetswerk berustte bij · Kees v. d. Zande, die , commandant was van de verzets­groep aansloot ” bij Altena”, de groep welke zich Albrecht”. later, Toen wij onze .eerste twee “gevange­nen moesten bewaken, was er geen reden om met dit werk op te houden en ten slotte brachten wij het tot 75 gevangenen, die wij in twee motor­schepen, welke tussen het riet ver­borgen lagen, opsloten.

Het Zuiden wordt bevrijd.

Op 2 November ’44 werd Bra­bant bevrijd. Natuurlijk hadden wij gedacht, dat ook Noord-Nederland nu gauw zou volgen, doch dit liep, naar men weet, enigszins anders uit. Eerst nu begon voor ons dan ook het gevaarlijkste werk, namelijk het overbrengen van berichten, mensen, zenders, enz. van het Zuiden naar het Noorden, en omgekeerd. Het waren Arie van Driel en ik, die met lïet z.g.

Motor-kano linie crossers crossings

De motor-kano, waarmede de jongens hun gevaarlijke “crossings” ondernamen. Voorin Pieter v. d. Hoek. 

,,crossing-werk” begonnen, daartoe bijgestaan -door verschillende anderen, o.a. door een aantal meis- jes, dat koeriersdiensten verrichtte. Twee à driemaal per week gingen Arie en ik per kano naar het bevrijde gebied, hetgeen, behoudens enkele schermutselingen met de vijand, steeds tamelijk vlot verliep. De Duitsers hadden bij onze wederzijdse chietpartijen onderweg echter minder geluk,  want zes hunner lieten gedurende deze tochten er het leven bij.

Gevangen genomen en op tramport gesteld! 

op 13 Jan1.1ari ’45 zou het evenwel voor ons mis gaan. Die nacht was ik met mijn vriend en mede­werker Thijs op stap gegaan. Irï den beginne liet het zich aanzien, dat ook deze tocht vlot verlopen zou, ,toen plotseling ons bootje van de wal af be­schoten werd. Dit· was ons al vaker overkomen, maar wij hadden nog steeds weten te ontkomen. Nu werd de situatie echter zo hachelijk voor ons; · als ze nimmer te voren geweest was. Wij moesten de wal op, waar wij ons nog door de vlucht in veilighei:d hoopten te kunnen stellen. Gedurende

H.M. Koningin Wilhelmina was destijds vol belangstelling voor de kano, waarmee in de Biesbosch de “crossings” werden uitgevoerd en die op de tentoonstelling van het Verzet was tentoongesteld.

vier uren zwierven wij rond en ging alles goed, maar juist toen wij dachten de dans ook nu weer ontsprongen te zijn, werden wij plotseling over­ vallen en gevangen genomen. Dit keer” was het spel verloren! Wij werden op transport gesteld; eerst lopende naar Almkerk, de volgende dag wéér lopende naar Geldermalsen, waar wij gedurende twee dagen met nog zes anderen-in een éénmand-cel werden opgesloten, en daarna vertrokken wij alweer te voet! naar Culemborg, en zes dagen later naar Utrecht, waar wij in de gevangenis op het Wolvenplein werden op gesloten. Daarmee wasbonze reis echter nog niet ten einde, want na zes dagen in Utrecht gezeten te hebben werden wij naar het kamp “Waterloo”in Amersfoort gebracht, waaruit ik evenwel op 11 Februari ’45 wist te ontsnappen. Ik begon nu de terugtocht en ook dit keer te voet, met dit verschil echter, dat ik mij nu in vrijheid bevond!

Ontvlucht en opnieuw in de kano.

Zo arriveerde ik eindelijk weer in mijn woon­plaats, Werkendam, en stapte in de nacht van de zestiende Februari opnieuw in de kano om te trachten door de vijandelijke linie heen te komen. Via de Merwede bereikte ik Lage Zwaluwe, waai; de vrienden. wel wat verwonderd opkeken, toen zij mij zagen- aankomen, want iedereen meende, dat ik gesneuveld was. Na vijf d_agen rustig in_ be”.l’i}d gebied te hebben rondgewandeld werd 1k, Juist toen ik weer vertrekken zou, in Drimmelen door

Duitse granaat, die in de. Biesbosch afgescho­ten werd, getroffen en gewond. Dit was een lelijke streep door mijn rekening, want het duurde vijf weken, al­vorens ik weer zo ver was, dat ik mijn cross­ wer k” hervatten “kon. Kort vóór de bevrij- ding besloten wij van waterweg te verande­ren en• kozen nu de Biesbosch voor onze ,,crossing” -tochten, het­geen ons evenwel bijna noodlottig geworden was.

Het gebeurde in de nacht van 28 April, toen twee kano’s uit het bevrijde gebied naar Werkendam vertrokken. Twee van mijn vrienden zaten in de eerste, mijn vriend Frans en ik in de volgende, en beide groepen hadden belangrijke berichten en een lading medicijnen bij zich. Plotseling werden beide kano’s van de wal af

Dit is één van de kleine woonarkjes, die de ·,,kaerels” van de Biesbosch tot schuilplaats dienden. Duidelijk is hier te zien hoe het riet een natuurlijke bescherming bood tegen ‘de speurende ogen d?er patrouillerende Duitsers.

onder vuur genomen, waarbij Frans en ik onze boot verspeelden, zodat wij trachten moesten zwemmende de wal te bereiken. Bij deze gelegen­ heid heeft Frans mij het leven gered, want zon­der zijn hulp zou ik zeker verdronken zijn. Het werd nu een zware en gevaarlijke tocht, want niet alleen moesten wij door grienden en modderslo­ten, maar tot overmaat van ramp moesten wij ons ook nog dwars door mijnenvelden een weg banen. Gelukkig echter zijn wij veilig en wel weer in het vrije Drimmelen aangekomen, . waar dadelijk . . alles gedaan werd om ons de doorstane vermoe1erussen en emoties te doen vergeten.
Helaas had ik op deze tocht een wondje opgelo­ pen, hetgeen op zichzelf niet zo erg was, maar het begon te zweren, waardoor een tamelijk ernstige bloedvergiftiging ontstond, zodat ik naar het hos­pitaal in Tilburg vervoerd moest worden, waar ik eerst een week na de bevrijding uit ontslagen werd,

Resumerend, heb ik in totaal 37 “Crossings”op mijn naam staan. Arie van Driel maakte er 53, werd echter op 11 Maart ’45 gegrepen en op 30 April ’45 gefusilleerd. Kees van der Zande volvoerde er 22, Werd op 3 Maart gegrepen en op 30 April ’45 gefusilleerd.

Tot zover de sobere verhalen van deze jonge helden, die met hun dappere makkers zo veel tot de bevrijding van ons Vaderland hebben bijgedragen. Aangrijpend hierin zijn vooral twee data: gefusilleerd 30 april ’45… als het ware op de drempel der bevrijding!

Ook de moeite waard om te lezen

Laat een reactie achter